Het schilderwerk aan de overkant gaat verder. Ze zijn nu bezig met de muur recht tegenover mij en omdat daar balkons zijn kunnen ze het hangplateau niet gebruiken. Angstig hoog staan ze op de ladder. Omdat de straat schuin afloopt staat de rechterpoot van de ladder op een blokje hout.
De schilder heeft een aantal riemen om en zekert zichzelf met een haak aan de rand van het balkon, maar ik vraag me toch af hoe dat hier zit met de ARBO-wet.
Monte Breña
Vanochtend scheen de zon en vol goede moed begaf ik me om twaalf uur met de bus naar Monte Breña, waar de buschauffeur me uit liet stappen bij een halte in the middle of nowhere, vanwaar een smal steil pad de berg op liep. In het begin waren er een soort betonnen karresporen op het pad, maar hogerop, nadat ik een paar huizen voorbij was een werd het heel smal en steil, belegd met een soort lavagrind waarin je gemakkelijk uit kan glijden. Het was het soort pad waar je niet om je heen kan kijken omdat je steeds moet zien waar je je voeten neer zet, maar omdat het zo steil is, was het wel prettig om steeds een aanleiding te hebben om even stil te staan en om me heen te kijken en in het bijzonder naar beneden, naar de steeds dieper liggende oostkant van het eiland.
Na een tijd kwam ik op de picknickplaats een eindje onder de top van de 500 meter hoge Montaña de Breña. Daar kon ik beginnen naar het zuiden te lopen langs de GR130, een van de lange wandelpaden die over het eiland zijn uitgezet. Eerst over asfalt en later over een grof geplaveid pad liep ik nog lager dan de bergrug die het eiland verdeelt, maar toch heel hoog boven de velden, de dorpen en de zee. Er was nu weinig niveauverschil en het was een heel prettige wandeling.
Helaas kwamen er steeds meer wolken en op een gegeven moment moest ik mijn regenjas aantrekken, die ik als Nederlandse toeriste natuurlijk in mijn rugzakje had. Verder trok ik me van de milde regen even weinig aan als de witte koe die ergens op een piepklein weitje stond te grazen.

Het werd ook weer droog, maar net toen ik de jas maar weer uit wou trekken omdat ik het warm had, begon het serieus te regenen.
Gelukkig was ik niet ver meer van Mazo, het doel van de reis. Na een steile afdaling bereikte ik om kwart over twee de huizen. Er was om drie uur een bus terug naar Santa Cruz en in die tussentijd zat ik droog, dronk ik een cortado en at ik een soort tosti in een cafeetje waar ik met Fifi en Barbara ook al een keer geweest was.
Het is nooit zo hard gaan regenen als gisteren, maar het regende toch vaak de rest van de dag. Ik ben gaan eten in El Floridita op de boulevard, een door Cubanen gerund etablissement. Gemengde sla omdat het moest, hoewel ik er eigenlijk geen trek in had, lekkere croquetas en een heerlijk koel glaasje rode wijn van het eiland.
Dinsdag
Al weer een luie dag. Omdat ik last van mijn linkerschouder had ging ik ’s middags naar een osteopaat/masseur, die fantastische resultaten heeft geboekt met de schouder van Thomas. Het was aangenaam, maar of het helpt moet nog blijken.
Toen ik er heen ging begon het een beetje te druppen en toen ik er uit kwam om een uur of zes regende het pijpestelen. Zo hevig zelfs dat – naar ik later hoorde – het vliegveld gesloten werd omdat er op die smalle strook langs de zee niet meer veilig geland kon worden.
En ook zo hevig, dat ik de deur niet meer uit wou om te eten en thuis brood at met een blikje zalm.
Mode
Vanaf mijn balcon zie ik de Palmeraanse dames langskomen. Ook wel toeristen natuurlijk, maar die lopen toch vaker over de boulevard, waaraan onze straat evenwijdig loopt.
Ik kan U verzekeren: de rok is uit. Klein, groot, dun, dik, kittig of uitgezakt, kwiek of slecht ter been, alles in broek.
Vorig jaar kwamen er veel blote navels voorbij, maar dat is over. Net als in Amsterdam is nu het decolleté in, maar dat wordt hier over het algemeen iets minder diep gedragen dan bij ons, behalve laatst door een jonge vrouw die bij ons in de bus zat en die haar imposante poitrine nauwelijks bedekt had.
Ook de schoenenmode is veranderd. Vorig jaar zag ik veel hardgroene of knalrode lakpumps, maar die zijn helmaal uit het straatbeeld verdwenen.
Weekend
Toen ik zaterdag om half elf El Pais wou kopen zeiden ze: Op zaterdag komt hij altijd later. In de bar beneden las ik de Diario de Avisos, een plaatselijke krant, waar het Spaanse nieuws pas op bladzij 35 staat, gevolgd door het buitenlandse. Ik kwam onder andere te weten dat de werkeloosheid op de Canariën bijna 18 procent is en dat de oppositie op Tenerife overweegt naar de rechter te gaan als de het rechtse locale bestuur nog langer treuzelt met het uitvoeren van een landelijke wet die gelast dat eerbetoon aan Franco moet worden verwijderd: beelden, straatnamen enz.
Toen ik om 1 uur weer op mijn geliefde krant uit ging, was hij in alle vijf de winkels die hem verkopen uitverkocht. Ik mocht als troost een ijsje en begaf mij naar het terras waar ik met Rupert had afgesproken om vandaar naar hun huis te gaan voor het middageten. In het weekend hebben ze het iets minder druk en dan vragen ze vaak of ik mee ga eten, hetzij thuis, hetzij ergens op het eiland in een restaurant waar ik alleen niet goed komen kan.
’s Avonds gingen we naar het theater, dat na een sluiting van 25 jaar is opgeknapt en nu plechtig werd geopend met een concert. Er waren twee uitvoeringen, de eerste gratis, om acht uur, voor al dan niet plaatselijke bobo’s en de tweede om half elf voor het gewone volk, dat moest betalen. Niet veel, maar toch. Rupert was nog even van plan om uit protest niet te gaan, maar dat had waarschijnlijk niemand gemerkt.
Thomas wou niet mee, want hij verwachtte er weinig van, dus ik was met Rupert en Mona. De laatste had mij uitgenodigd, omdat ik haar iedere ochtend een stukje fruit breng als ze klokke negen met haar werk in de receptie begint. Eigenbelang natuurlijk, ik vind het gewoon gezellig.
Voor de pauze zongen een sopraan en een tenor, begeleid op de piano, toepasselijke liederen en na de pauze werd er echt uitgepakt. We kregen een symphonisch gedicht van een bejaarde, op de Canarische eilanden wereldberoemde componist te horen dat werd uitgevoerd door het koor van de Universiteit van La Laguna (op Tenerife) en een voor de gelegenheid samengesteld symphonisch orkest van een man of veertig. Over zangers en musici niets dan goeds, maar de uitgevoerde werken waren niet buitengewoon boeiend.
Interessanter was het om te zien hoe het theater en het publiek er uit zagen. Het theater is in 1879 gebouwd, het is mooi van vorm en knap gerestaureerd, met rood en goud, zoals dat in zo’n theater hoort. Alleen waren de muren echt spierwit en ik denk dat het geheel er beter had uitgezien als die wat meer kleur hadden gehad. Er kunnen 550 mensen in, maar het was niet uitverkocht.
Veel mensen hadden zich echt opgetut voor de gelegenheid. Vrijwel alle mannen waren in pak, zoals de buikige oude heer die een grijsblauw driedelig kostuum droeg met roze overhemd en paars gestreepte das. Vele dames waren duidelijk naar de kapper geweest en ze hadden beelderige japonnen aan en vaak heel hoge hakken waar ze niet goed op konden lopen. Gelukkig waren er ook meer casual geklede gasten, waaronder Rupert en Mona, die zich in het geheel niet hadden verkleed, waardoor ik me absoluut niet ongelukkig hoefde te voelen in het netste dat in mijn kleine vakantiekoffertje zat.
Vermakelijk was, dat de zaal elke keer begon te klappen als er twee seconden stilte viel in het symphonische gedicht en dat de dirigent ze dan weer stil moest krijgen voor hij door ging.
Zondag is, zoals bekend, een rustdag, dus daar is niet veel over te melden.
Alleen

Barbara en Fifi vertrokken vanochtend om acht uur om de bus naar het vliegveld te halen. Het regende een beetje toen ze met de koffertjes achter zich aan door het steegje tegenover de Fuente liepen, waar gisteren een schilder hoog tegen de muur op een hangend plateau bezig was de muur een beurt te geven.
Een beetje regen op de dag van vertrek is natuurlijk wel goed. Dan heb je niet zozeer het gevoel dat het zonde is om weg te gaan. Het is nu al weer half vier, zij zijn in Amsterdam en de zon heb ik hier vandaag nog niet gezien.
Ik heb boodschappen gedaan en een in een aantal winkels gezocht naar een overhemd of een jasje ter vervanging van mijn geliefde hemdjasje van donkerblauwe crêpe dat altijd mee op reis gaat. Niet gauw vuil en gemakkelijk te wassen. Helaas zit er nu een winkelhaak in het rugpand. Hoe die daar gekomen is weet ik niet. Ik heb hem een beetje dichtgenaaid. Beter dan dat loshangende flapje, maar fraai is anders. Het zal niet mee vallen hier iets nieuws te vinden. Er is weinig in mijn maat en zeer weinig naar mijn smaak.
Varen

We gingen woensdag al om half acht de deur uit, want voor we aan boord gingen moesten we nog met de bus naar de andere kant van het eiland. Daar ligt aan het water Puerto de Tazacorte, waar we nog tijd hadden om iets te drinken. Fifi wou niet zonder pet aan boord, maar had de hare dinsdagavond laten liggen in een winkel waar ze een truitje paste. Gelukkig ging de enige pettenwinkel in Tazacorte om half elf open, dus ze kon nog net een fraai felgroen exemplaar aanschaffen. De keus was niet heel groot.
Het werd een heerlijke dag. Op een catamaran met zo’n twintig andere toeristen voeren we langs de steile noordkust van het eiland. Dicht onder de kust, zodat we alleen de rots zagen en af en toe helemaal bovenop nog net een randje van een bananenplantage. Op een plek waar altijd veel vissen zijn gooide de bemanning voer over boord en we zagen hele scholen van een mij onbekende vissoort er op af zwemmen.
Een eind verderop ligt Punta de Candelaria aan de voet van de rots, een nederzetting van een paar huisjes die alleen te bereiken is langs een heel steil smal pad vanuit Tijarafe, of per boot. Volgens de gids kan je er in de winter niet wonen en komen er in de zomer alleen in het weekend mensen.
De boot ging daar voor anker en wie dat wilde (ik niet) kon er gaan zwemmen en eventueel op een grote rubberen banaan met handvaten klimmen die dan door een kleine motorboot snel werd rondgetrokken door de zee. Grote pret. Barbara en Fifi wilden wel zwemmen, maar niet op de banaan.
Vervolgens voeren we verder de zee op, op zoek naar dolfijnen. Het duurde heel lang voor we ze vonden, maar toen voeren we ook midden door een grote groep van die elegante zwemmers. Dolfijnen vinden, zoals ik uit Cadaqués weet, gezelschap leuk, en blijven rond de boot zwemmen en duikoefeningen uitvoeren. Wie zich in het Dolfinarium wel eens heeft afgevraagd hoe ze er in slagen de dieren te leren om met z’n tweeën precies tegelijk uit het water te springen en weer onder te duiken, hoeft zich daar verder niet over te verbazen. Ze doen het in het wild ook.
De arme Barbara, die een maag heeft die naar zee- en wagenziekte neigt, was tamelijk groen om de neus nu we verder van de kust waren en er dus meer golfslag was, maar genoot toch ook van de dolfijnen.
Toen voeren we weer terug naar Puerto. Het was inmiddels al bijna drie uur. Bij ons scheen nog altijd de zon, maar we zagen donkere wolken hangen boven de bergrug die het eiland in tweeën deelt.
We hadden aan boord zo nu en dan een versnapering gehad, een banaan, een sandwich, maar hadden nu toch honger en wilden lekker lunchen voor we terugreden naar Santa Cruz. Een van de restaurantjes langs de boulevard bood paella aan en daar had Fifi erg trek in. Zoals gewoonlijk maakten ze paella alleen voor minstens twee personen, dus ik bood aan ook paella te nemen. Helaas. Zelfs de paella van de Volendammer Vishandel in de Javastraat te Amsterdam is beter dan wat ze hier bij elkaar gefröbeld hadden.
Terug in de bus reden we de wolken tegemoet en een grote regenboog en toen we aan de andere kant van de bergrug de tunnel uitkwamen reden we de regen binnen. Goed dat we de dag aan de andere kant hadden doorgebracht.
Vandaag schijnt de zon ook hier weer, afgewisseld met af en toe een wolk. Wij hebben een rustdag. Voor de meisjes al weer de laatste. Morgenochtend vliegen ze naar huis. Ik mag lekker nog drie weken blijven.
Moe
Op de zuidpunt van het eiland staat een vuurtoren en daar kan je heen lopen vanaf Fuencaliente, dat er hemelsbreed maar iets meer dan 3 kilometer vanaf ligt, maar wel 600 meter hoger. Het pad naar beneden loop langs twee vulkanen, de San Antonio en de Teneguia. De laatste heeft in 1971 nog een vrij grote uitbarsting gehad, die grote delen van het omliggende land met gloeiende lava bedekte.
Het pad naar beneden (en soms weer even omhoog om een vulkaar te beklimmen) is steil en afwisselend stenig en bedekt met mul zwart lavazand. Het landschap, met heel weinig planten, is ruig, rotsig en fascinerend.
We liepen er bijna drie uur over en ik was vrij moe toen we bij de faro waren, waar we nog ongeveer een uur moesten wachten tot er een bus terug ging. Barbara en Fifi gingen pootjebaden en we liepen nog naar de vlakbij gelegen zoutpannen, waar zuiver zeezout gewonnen wordt.
Tegen zessen waren we weer in SantaCruz, waar we tapas aten en vroeg naar bed wilden.
Morgen gaan we varen langs de westkust.
Mazo
We gingen met de bus naar Mazo, waar in het weekend een niet heel interessante markt van artesania en lokale producten is. De reisgidsen schrijven dat het een must is, dus de meisjes wilden er beslist naar toe. Zij zagen in de geest een gezellig marktplein met cafeetjes en restaurantjes er om heen en middenop knusse kraampjes met interessante koopwaar.
Ik bereidde ze voor op een teleurstelling. Ik weet uit ervaring dat de markt is gevestigd in een paar ongezellige hallen en dat er niet veel te koop is dat je niet overal in de winkels kunt krijgen. Ze wilden toch, en dan terug lopen naar Santa Cruz.
Ik was er tot nu toe altijd op zaterdag geweest en op zondag is hij nog minder interessant. Fifi kocht een glas suikerrietsap, waarvan Barbara en ik ook mochten proeven. Het zal U niet verbazen dat het nogal zoet was. Ze schaften nog een gemakkelijk mee naar huis te nemen houten lepel aan en wilden toen wel aan de wandeling beginnen.
Ik wil niet lopen, zei mijn lijf, te moe van gisteren. Ik ging dus terug met de bus, waar ik helaas vijf kwartier op moest wachten, maar dat vind ik nooit zo erg. Mazo is weliswaar nogal rustig, maar er kwam toch zeker elke minuut een auto voorbij en elke twintig minuten een voetganger. De zon scheen. Diep onder mij zag ik een vliegtuig landen op het aeropuerto. Een Duits echtpaar vroeg de weg naar de markt. Die wist ik toevallig.
Terug in het stadje dronk ik een batido van passievrucht en at ik een arepa (een soort zuid-amerikaans pitabroodje). Er was zowaar nog een El Pais in de enige winkel waar ze op zondag die krant verkopen.
Thuis bracht ik een rustige middag door met de dikke krant en de computer.
De meisjes kwamen na uren ook thuis, moe, want het was een lange wandeling met aan het eind een vrij steile afdaling. Nu doen ze een late siësta. Als ze om half negen nog slapen moet ik ze wekken.
Wel erg hoog

We liepen vandaag naar het kerkje van de zeer heilige madonna van Las Nieves. Het is een prachtige wandeling langs een steil oud keienpad zigzag tegen de berg op. Zeer fraai, maar wel erg hoog voor de eerste wandeling na zo lang in ons vlakke land verbleven te hebben. Ik moest vaak even rusten, maar Barbara en Fifi leken dat niet erg te vinden.
Ik had een strooien hoed gekocht omdat ik wat hoofdpijn had en de zon fel scheen. Helaas was er ook nogal wat wind en toen hij steeds dreigde af te waaien om in het ravijn te verdwijnen, staken Barbara en Fifi hem met strootjes vast aan mijn haar.
Na het keienpad moesten we nog een stuk omhoog tussen lage huizen door. Een vals uitziende hond blafte en sprong vervaarlijk, maar hij zat gelukkig aan een stevige ketting. Toen we op het hoogste punt van de wandeling waren was iedereen moe en gelukkig was daar een aangenaam restaurant om te lunchen.
Vandaar liep een wederom zeer steil pad naar Las Nieves, maar deze keer ging het bergaf, en dat scheelt een stuk. Fifi en Barbara hadden nog energie over om terug te lopen naar Santa Cruz, maar ik nam de bus. Men moet zijn grenzen kennen.


