Ik word niet altijd vrolijk van den Haag. Om te beginnen rij ik met lijn elf langs de Parallelweg. Die is bijna helemaal gemoderniseerd, maar ik denk aan de miezerige arbeidershuizen die er stonden toen ik er in de hongerwinter langs liep met mijn broertje. We waren op weg naar een gebouw op de Laakkade dat toebehoorde aan de BPM, waar mijn vader voor de oorlog werkte als ingenieur. We hadden honger en soms kwam er een briefkaart van de BPM dat er iets te eten was, dat we konden ophalen daar op de Laakkade. Dan sjokten we met onze ondervoede lijfjes langs de Parallelweg. Ik op schoenen waarvan de rechter door mijn moeder van achteren was opengeknipt, omdat anders mijn winterhiel er niet in paste. En dan kregen we een beetje rijst, een halve liter taptemelk, misschien een paar aardappelen. Eén keer was er een ei, waar we later thuis met de hele familie omheenstonden. In geen maanden gezien.
Ik was op weg naar mijn nichtje, die een paar maanden haar man heeft verloren, met wie ze samen geweest is sinds ze elf was. Ze heeft het jaren zien aankomen en probeert heel flink te zijn, maar echt vrolijk waren we natuurlijk ook niet.
Toen naar de andere kant van de stad, waar ik het onlangs uitgegeven oorlogsdagboek ging ophalen van Italie, mijn vroegere leraar Latijn. Hij heeft, anders dan de meeste van zijn familieleden de oorlog overleefd en heeft de hele oorlog, ook in de kampen waar hij tenslotte terecht kwam, bijna steeds kans gezien dit dagboek bij te houden.
Toen ik terug was in Amsterdam ben ik bij het Badhuis gaan eten, waar ik een pasta at die vrijwel uitsluitend ingrediënten bevatte die ik vanwege de jeuk niet mag eten, met een glas rode wijn er bij, die ik vanwege de jeuk ook eigenlijk moet laten staan. Ik vond dat ik het echt had verdiend en genoot van iedere hap en iedere slok. Wat is tomaat toch lekker als je het niet mag.
Ik heb nu wel vrij veel jeuk, dus ik neem maar een beetje mogadon voor ik naar bed ga.