Toen ik uit Amsterdam vertrok zat er een gaatje op de knie van mijn spijkerbroek, maar ik had geen tijd meer om een andere te kopen, dus ik vond dat het maar moest kunnen. Hier werd het toch echt erger. Inmiddels zit er een gaatje en een groter wordende scheur.
De oude mannen met wie ik ’s ochtends koffie drink in de Maritim wijzen er op en zeggen: die broek kan je niet meer aan. Pere, de gewezen eigenaar, neemt het voor me op. Dat is mode, zegt hij, zij is een moderne vrouw. Zij schudden het hoofd en blijven bij hun mening.
Maar vandaag ben ik aan het pakken omdat we morgen om zeven uur met de bus naar Girona gaan en nu heb ik hem in de vuilniszak gegooid.
Jammer, want ik ben aan die broek gehecht en ik was al een beetje treurig omdat het de laatste dag is. Wel een prachtige dag trouwens. Vanochtend zijn we met de toeristenboot naar Cabo Creus gaan varen en hoewel het weerbericht voor vanmiddag weer regen voorspelde is het nog steeds mooi weer. Dat heeft de arme verregende vakantie van Bart dus weer een beetje goed gemaakt.
Mijn spijkerbroek
Helaas
Helaas, helaas, het in het vorige bericht vermelde optimisme was misplaatst. Vandaag regent het weer. En niet een beetje. Het regent maar door en wij zitten in huis en lezen en spelen met de computer. Leve de stuwmeren
Regen, eindelijk regen
Sinds donderdagavond heeft een weldadige regen neergedaald op Cataluña. De kranten zijn opgetogen, de watervoorraad in de stuwmeren is gestegen, de verdorde velden kunnen weer groen worden, de rivieren beginnen weer een beetje te stromen.
Jammer dat diezelfde donderdagavond mijn vriend Bart uit Nederland kwam, waar het stralend weer was en 25 graden.
Gelukkig is het vandaag in de loop van de dag een beetje opgeklaard. Bart is optimistisch. Vanmiddag heeft hij de prachtwandeling naar de vuurtoren gemaakt en morgen gaat hij naar het strand.
Meeuwen

Meeuwen vliegen zo mooi. Ze maken er een afschuwelijk geluid bij, gaw gaw, gagagaw, gaaaa gaaa. Ik vergeef het ze omdat ze elegant door de lucht zeilen met alleen af en toe een krachtige slag van de vleugels.
Vergelijk dat eens met het stumperige gefladder van de ook hier veel te dikke duiven, die bovendien grotendeels op de grond leven, op zoek naar eetbare resten van het mensenleven.
De meeuwen niet, die glijden door de lucht en landen af en toe op een rots of op een schoorsteen, waar ze rusten en volgens mij soms ook slapen.
Hondenmepper
In de jaren zeventig en tachtig had vrijwel iedere buitenlander die hier woonde een of twee honden. Die liepen meestal los door het dorp, met nog een heel stel andere honden, die geen baas hadden en eten opscharrelden bij de keukendeuren van de restaurants en in het vuilnis. Dat laatste viel trouwens niet mee, want bij alle huizen was een haak waaraan je je vuilniszak moest hangen, opdat de honden deze niet zouden openscheuren. Katten waren er ook veel. Die sprongen soms omhoog om aan zo’n zak te gaan hangen.
De overmaat aan honden veroorzaakte natuurlijk wel enige overlast en af en toe liet de gemeente een hondenmepper komen. Die had een open bestelwagen met kooien achterop en hij ving loslopende honden met een net. Alleen honden met een halsband konden de dans ontspringen, want die werden geacht een baas te hebben. De gevangen honden werden afgevoerd en als ze niet binnen een week waren opgehaald door een eigenaar, afgemaakt.
Dit wekte uiteraard de afschuw op van de hondenliefhebbers en zodra bekend werd dat de hondenmeppers in het dorp waren, begonnen wij allemaal alle honden die we zagen een halsband om te doen, of een stuk touw om de nek te binden. Toch werden er altijd nog heel wat honden gevangen, die doodongelukkig in de kooien zaten en het dorp werden uitgereden.
Tegenwoordig zijn er niet zo veel honden meer en ik geloof niet dat de meppers nog komen.
Nog maar een week
Morgen over en week vlieg ik al weer naar huis. Dan ben ik ongeveer negen weken weg geweest, waarvan zeven in Cadaqués. Omgevlogen, mag ik wel zeggen.
Ik wil best weer naar huis, want daar is het ook heel leuk en daar zijn ook veel aardige mensen, maar zou ook best nog een poosje willen blijven.
Lui
Er zijn ook dagen dat ik helemaal niet zo actief door de bergen stap. Vandaag ben ik lui, ik blijf in mijn huis hangen, lees wat, zit bij mijn computer, verkluns de dag.
Dat komt -behalve door mijn luie aard – ook doordat het ‘puente’ is. Dat is Spaans voor lang weekend. Donderdag was het 1 mei, hier een nationale feestdag, en wie de vrijdag vrij nam had dus vier dagen. Het was eindelijk mooi weer, na een vrij slechte aprilmaand, en velen maakten van de gelegenheid gebruik. Het was zo druk in het dorp dat de mensen op straat in de rij stonden voor de restaurants. Op de terrassen en ook binnen in het Casino was geen stoel vrij. Soms lopen er ineens oude kennissen tussen het gedrang en dat is dan wel weer leuk, maar verder is het om gek te worden van de drukte en kan je dus beter thuis blijven.
Mooie smoes, maar ik weet ook heel goed dat al die toeristen er niet over denken om bergwandelingen te maken, en dat je er dus helemaal geen last van hebt zodra je het dorp uit bent. Gewoon lui.
Nou ja, vanavond gaan ze allemaal weer naar huis en dan is het dorp weer van ons.
Mas Duran
Ver in de bergen ligt Mas Duran, de ruïne van wat eens een boerenhoeve was. Jaren geleden kocht Frankie, een Zuidamerikaan die met een Spaanse vrouw getrouwd is, de ruïne en het omringende land en begon er een manege. Hij bouwde er een huis en stallen. De plek is alleen te bereiken over een ruwe weg, waarop auto´s alleen in de één of de twee vooruit kunnen komen, waarop brommers hun leven riskeren en waarover voetgangers vanuit het dorp zo´n anderhalf uur onderweg zijn, maar de zaak floreerde blijkbaar, want hij bestaat nog steeds.
Gisteren ben ik er eindelijk eens heengelopen. De wandeling is vermoeiend, maar prachtig, en ik genoot.
Ik wilde er niet alleen Frankie en zijn vrouw bezoeken, maar ook Bernd, een Duitse beeldhouwer ik al ken uit de jaren tachtig. Hij heeft een huis in het dorp en ook een stuk land achter Mas Duran, waar hij tuiniert en een deel van zijn beelden tentoonstelt. In de primitieve hut die er staat is geen elektriciteit en geen stromend water, maar het is er een klein paradijs.
Halverwege werd ik ingehaald door Toto, een eveneens Duitse gitarist, die met zijn vrouw Rose ook onderweg was naar Bernd. Dapper sloeg ik de uitnodiging om mee te rijden af. Ik wou lopen en ik zou lopen.
Zeer over mijzelf te spreken kwam ik er enige tijd later aan. We dronken thee of water, aten biscuitjes en kregen een rondleiding over het land, waar onder andere heel wat jonge fruitbomen staan. Sommige zien er weinig florissant uit, maar andere lijken het daar naar hun zin te hebben. Er is een boompje vol kersen en er zijn legio citroenen en ook kleine perzikken in aanbouw, die er voorlopig nog uit zie as kleine amandelen.
Onderaan het land loopt een kleine beek, die nu bijna droog staat, maar waaruit in andere tijden van het jaar water voor de tuin geput kan worden. Bernd zegt dat er heel wat dieren op zijn land leven, waaronder wilde zwijnen en slangen, waarvan de meeste gelukkig niet giftig zijn. Die hebben we allemaal niet gezien, maar we zagen beneden bij de beek wel een landschildpad van wel bijna vijftien centimeter, die Bernd ook nog nooit had gezien. De hond wou hem graag opeten, maar dat mocht niet.
Terug ben ik toch maar met de auto meegegaan.